Vraag 105Wat eist God in het zesde gebod?

Antwoord:

Dat ik mijn naaste
noch met gedachten,
noch met woorden of enig gebaar,
veel minder met de daad,
door mijzelven of door anderen ontere,
hate, kwetse of dode; a
maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge; b
ook mijzelven niet kwetse
of moedwilliglijk in enig gevaar begeve; c
waarom ook de overheid het zwaard draagt
om den doodslag te weren. d

Bewijsteksten

a

Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. Mattheüs 5:21-22

Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Mattheüs 26:52

Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt. Genesis 9:6

b

Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid. Efeze 4:26

Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. Romeinen 12:19

Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt. Mattheüs 5:25

Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden. Mattheüs 18:35

c

Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. Romeinen 13:14

Dewelke wel hebben een schijn rede van wijsheid in eigenwilligen gods dienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees. Kolossenzen 2:23

Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken. Mattheüs 4:7

d

Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt. Genesis 9:6

Maar indien iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult gij denzelven van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve. Exodus 21:14

Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Mattheüs 26:52

Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet. Romeinen 13:4

origineel
SV
onder tekst
16
leermodusleren