105

Wat eist God in het zesde gebod?

Dat ik mijn naaste
noch met gedachten,
noch met woorden of enig gebaar,
veel minder met de daad,
door mijzelven of door anderen ontere,
hate, kwetse of dode;
a
maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge;
b
ook mijzelven niet kwetse
of moedwilliglijk in enig gevaar begeve;
c
waarom ook de overheid het zwaard draagt
om den doodslag te weren.
d

106

Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?

God, verbiedende den doodslag,
leert ons, dat Hij den wortel des doodslags
als nijd,
a haat, b toorn c en wraakgierigheid,
haat en zulks alles voor een doodslag houdt.
d

107

Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden?

Neen; want God, verbiedende den nijd, haat en toorn,
gebiedt, dat wij onzen naaste liefhebben als onszelf,
a
en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid,
barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen,
b
zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren,
c
en ook onzen vijanden goed doen.
d

origineel
SV
16
leermodusleren