110

Wat verbiedt God in het achtste gebod?

God verbiedt niet alleen
dat stelen
a en roven, b
hetwelk de overheid straft;
maar Hij noemt ook dieverij
alle boze stukken en aanslagen,
waarmede wij onzes naasten goed
denken aan ons te brengen,
c
hetzij met geweld of schijn des rechts,
als met vals gewicht, el, maat, waar,
d munt,
woeker,
e of door enig middel, van God verboden;
daarenboven ook alle gierigheid,
f
alle misbruik en verkwisting Zijner gaven.
g

111

Maar wat gebiedt u God in dit gebod?

Dat ik mijns naasten nut,
waar ik kan en mag, bevordere;
met hem alzo handele,
als ik wilde, dat men met mij handelde;
a
daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide,
opdat ik den nooddruftige helpen moge.
b

origineel
SV
16
leermodusleren